-
Geldt defiscalisering van bloot eigendom ook wanneer het vruchtgebruik gaat naar
Stel beide ouders zijn overleden, maar 1 ouder woonde nog samen met een andere partner (met samenlevingscontract). Deze samenwonende partner heeft het recht van bewoning. De kinderen van beide ouders erven een bloot eigendom. Valt dit bloot eigendom ook onder defiscalisering? Dit bloot eigendom hoeft dan ook niet opgegeven worden in box 3 voor de inkomstenbelasting?
- Dit onderwerp is gewijzigd op 28 januari 2026. De vraag gaat over box 3 en hierom onder 'Inkomstenbelasting'
Gelukt! Deze vraag heeft een geaccepteerd antwoord
3 reacties
-
Arno Havermans 27 januari 2026 om 17:11
Gelukt! Geaccepteerd antwoord
Dat weet ik eerlijk gezegd niet maar het lijkt me niet uitgesloten. U zult goed moeten (laten) uitzoeken of voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden.
De defiscalisering voor box 3 in de IB geldt voor niet opeisbare vorderingen op de echtgenoot van de overleden ouder: “ Tot de bezittingen behoren niet niet opeisbare geldvorderingen op de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige: (…) “ (art. 5.4, eerste lid Wet inkomstenbelasting 2001).
Een echtgenoot is er in uw casus niet. Maar het begrip echtgenoot is uitgebreid tot “ de partner voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting, bedoeld in artikel 1a, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Successiewet 1956 “ (art. 5.4, zevende lid Wet inkomstenbelasting 2001).
De leden 1 t/m 4 van art. 1a van de Successiewet 1956 (link) bevatten een flinke lijst voorwaarden waaronder twee ongehuwde personen als partner voor de Successiewet aangemerkt kunnen worden. Als aan deze voorwaarden kan worden voldaan, geldt dat dus óók voor de defiscalisering voor box 3 in de IB van de betreffende overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen waar u naar vraagt.
-
Gerard Lankheet 23 februari 2026 om 17:45
Citaat starten
Arno Havermansgeschreven op 27 January 2026 om 17:11Einde citaatDat weet ik eerlijk gezegd niet maar het lijkt me niet uitgesloten. U zult goed moeten (laten) uitzoeken of voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden.
De defiscalisering voor box 3 in de IB geldt voor niet opeisbare vorderingen op de echtgenoot van de overleden ouder: “ Tot de bezittingen behoren niet niet opeisbare geldvorderingen op de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige: (…) “ (art. 5.4, eerste lid Wet inkomstenbelasting 2001).
Een echtgenoot is er in uw casus niet. Maar het begrip echtgenoot is uitgebreid tot “ de partner voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting, bedoeld in artikel 1a, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Successiewet 1956 “ (art. 5.4, zevende lid Wet inkomstenbelasting 2001).
De leden 1 t/m 4 van art. 1a van de Successiewet 1956 (link) bevatten een flinke lijst voorwaarden waaronder twee ongehuwde personen als partner voor de Successiewet aangemerkt kunnen worden. Als aan deze voorwaarden kan worden voldaan, geldt dat dus óók voor de defiscalisering voor box 3 in de IB van de betreffende overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen waar u naar vraagt.
Bedankt voor je antwoord, Arno
In mijn vraagstelling heb ik één cruciaal detail niet genoemd.
De laatste vier jaar van zijn leven was de vader opgenomen in een verzorgingstehuis én stond daardoor op een ander adres ingeschreven dan zijn partner, die in de woning bleef wonen die eigendom is van de vader.
Strikt gezien wordt daarmee niet voldaan aan het gestelde in lid 1b van Artikel 1a van de Successiewet 1956.
Of heeft de Belastingdienst met deze bijzondere situatie rekening gehouden?
Aan de overige eisen van Artikel 1a, lid 1 tot en met 4 wordt overigens wel voldaan.-
Arno Havermans 24 februari 2026 om 17:12
Citaat starten
Gerard Lankheetgeschreven op 23 February 2026 om 17:45Einde citaatBedankt voor je antwoord, Arno
In mijn vraagstelling heb ik één cruciaal detail niet genoemd.
De laatste vier jaar van zijn leven was de vader opgenomen in een verzorgingstehuis én stond daardoor op een ander adres ingeschreven dan zijn partner, die in de woning bleef wonen die eigendom is van de vader.
Strikt gezien wordt daarmee niet voldaan aan het gestelde in lid 1b van Artikel 1a van de Successiewet 1956.
Of heeft de Belastingdienst met deze bijzondere situatie rekening gehouden?
Aan de overige eisen van Artikel 1a, lid 1 tot en met 4 wordt overigens wel voldaan.Het lijkt erop dat de fiscale wetgever (de Belastingdienst is slechts de uitvoerder) inderdaad rekening heeft gehouden met deze situatie.
Het vierde lid van genoemd artikel 1a Successiewet 1956 verklaart art. 5a, lid 7, Algemene Wet Rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing op ongehuwd samenwonende personen. In dat artikellid is precies de situatie van uw casus beschreven: <em style="font-size: 1.125rem; text-wrap-mode: initial;">" Personen die partners waren (...) blijven als partners aangemerkt nadat de (...) inschrijving op hetzelfde woonadres niet langer mogelijk is als gevolg van opname in een verpleeghuis of verzorgingshuis vanwege medische redenen of ouderdom van een van hen, zolang na het einde van die inschrijving op hetzelfde woonadres ten aanzien van geen van beiden een derde persoon als partner wordt aangemerkt. ".
In mijn ogen betekent dit dat de personen in uw casus partner zijn van elkaar in de zin van de Successiewet zodat de defiscalisering van de overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen in box 3 inderdaad van toepassing is.
Aan de ene kant ervaar ik dit als een verrassende conclusie. Aan de andere kant wel een conclusie die, vanwege het onvrijwillige karakter van het verbreken van de samenwoning, maatschappelijk gezien klopt en die de IB aangiften, althans het box 3 deel daarvan, overzichtelijker maakt. Leest u het alstublieft zelf ook nog goed na en vraag desnoods, als u 100% zekerheid wenst, vooroverleg bij de competente IB inspecteur.
-
-