Les 1: Voorbereiden op het gesprek en de aangifte
Voordat u samen aan de slag gaat met de aangifte, is het prettig om het gesprek te beginnen met een korte introductie. Een prettige start helpt om overzicht te creëren en verwachtingen goed af te stemmen. Samen maakt u een inschatting van wat er nodig is en bepaalt u welke ondersteuning passend is.
1. Bepalen of iemand aangifte moet doen
Een onderdeel van dit gesprek is nagaan of uw cliënt aangifte moet doen. In de meeste gevallen is dat zo wanneer:
- de cliënt in Nederland woont en inkomsten heeft, of
- de cliënt buiten Nederland woont maar wel inkomen uit Nederland ontvangt (bijvoorbeeld loon, pensioen of inkomsten uit een woning).
Als uw cliënt een aangiftebrief heeft gehad, moet deze persoon aangifte doen. Heeft uw cliënt geen brief gehad? Dan moet er aangifte worden gedaan als het te betalen bedrag hoger is dan de aanslaggrens. De aanslaggrens voor belastingjaar 2026 is vastgesteld op € 58.
Twijfelt uw cliënt? Controleer dit dan samen om te voorkomen dat verplichtingen worden gemist.
Meer informatie over wanneer iemand aangifte moet doen vindt u op: Aangifte inkomstenbelasting – hoe weet ik of ik aangifte moet doen?
2. Vaststellen wat iemand nodig heeft
Voordat u de aangifte opent, bespreekt u:
- of diegene al eerder aangifte heeft gedaan
- of er zorgen of vragen zijn
- wat uw cliënt precies nodig heeft
- of alle documenten aanwezig zijn
Dit helpt u om in te schatten hoeveel ondersteuning nodig is en geeft uw cliënt het gevoel dat u het samen doet.
3. Uitleggen wat u samen gaat doen
Leg vervolgens kort uit hoe u te werk gaat. Dit geeft structuur en voorkomt verrassingen. U kunt bijvoorbeeld benoemen:
- dat veel gegevens al vooraf zijn ingevuld door de Belastingdienst
- dat u stap voor stap door het formulier of programma gaat
- dat u niets verstuurt zonder alles samen te controleren
Zo weet uw cliënt precies wat die kan verwachten.
4. Gespreksvaardigheden tijdens het 1e contact
Goede ondersteuning vraagt om duidelijke en respectvolle communicatie. Uw manier van vragen stellen helpt om rust te brengen en misverstanden te voorkomen. Denk hierbij aan:
- open vragen (hoe, wat, waar, wanneer, hoeveel) om cliënten de ruimte te geven hun verhaal te doen
- liever geen waarom-vragen, omdat die snel als verwijtend kunnen klinken
- controlevragen, zoals: “Klopt het dat uw inkomen € … was?”, om te checken of u de informatie goed hebt begrepen
- regelmatige checks, zoals: “Is dit duidelijk zo?”
- kritisch en vriendelijk blijven, zodat u zorgvuldig werkt zonder dat iemand zich beoordeeld voelt